
In de luikamer van de toren hingen eeuwenlang twee klokken. De huidige luiklok werd in 1835 door Sébastien James gegoten. Van bij de wederopbouw van de toren in 1756 wou men het uurwerk van een voorslag voorzien. De hiervoor noodzakelijke klokjes zouden in het hoger gelegen lantaarnvormige gedeelte van de torenspits worden opgehangen. Deze ‘beyaert van seven Klocken’ werd echter pas in 1777 aangekocht van Boudewijn Schepers, organist en beiaardier te Aalst. De klokken kwamen uit het atelier van de Brugse klokkengieter Georges Du Mery. In 1870 vulde de Leuvense klokkengieter Severinus Van Aerschodt dit klokkenspel aan met 14 klokken. Toen werd vermoedelijk ook het klavier, de gietijzeren speeltrommel en een nieuw gangwerk geïnstalleerd.
De beiaard werd in de loop der jaren verder uitgebreid zodat hij nu 21 klokken telt met een gezamenlijk gewicht van 381 kg.
Men zegt dat dit het mooiste carillon is in Vlaanderen.