Jan Albert de Grave

tekst: André Lehr


Jan Albert de Grave was afkomstig van Celle, 35 km noordoostelijk van Hannover. De Grave trad voor het voetlicht toen hij op 10 juli 1699 trouwde met Catharina ten Wege, de weduwe van de Amsterdamse stadsklokken- en geschutgieter Claude Fremy. Hij noemde zich toen geschutgieter en zou zijn beroep in de Palmstraat te Amsterdam hebben uitgeoefend. Nochtans werd hij pas op 17 februari 1700 burger van Amsterdam. Op dat moment dreef de weduwe Ten Wege de Amsterdamse gieterij samen met meesterknecht Claes Noorden, een leerling der Hemony’s. Catharina ten Wege stierf in 1704.
Samen met Claes Noorden met wie hij een compagnonschap aanging, leverde hij beiaarden voor de Abdij te Park (1709), een spel dat later naar Leuven verhuisde, en een voor Middelburg (1714-15). Het lijkt voor de hand te liggen dat in de totstandkoming van beide spellen Noorden als leerling der Hemony’s de belangrijkste rol heeft gespeeld. Nochtans, na diens dood in 1716 zou De Grave nog twee beiaarden maken, namelijk in 1717 voor de Parochialkirche in Berlijn en in 1721 voor de Garnisonskirche te Potsdam, beide in de laatste oorlog verwoest. Of deze dezelfde kwaliteit hadden als die voor Park en Middelburg weten wij niet. 
Toen De Grave op leeftijd kwam, werd in 1731 of eerder Nicolaas Muller diens compagnon. De Grave moet in 1729 of 1734 of kort daarvoor gestorven zijn, want in dat jaar werd de gieterij aan Ciprianus Crans verhuurd. Daarmee was de laatste klokkengieter in Nederland gestorven die de kunst van het beiaarden makten verstond. Het zou twee eeuwen duren voordat wederom een Nederlandse klokkengieter daartoe in staat was.


N..B. Mevrouw Laura Meilink laat weten dat haar bij onderzoek is gebleken dat het juiste sterfjaar van De Grave 1729 is, (december 2011).
Bronnen:
B.Bijtelaar, De Zingende Torens van Amsterdam (Amsterdam, 1947), p.42-43.
André Lehr, Van paardebel tot speelklok. De geschiedenis van de klokgietkunst in de Lage Landen (Zaltbommel, 1971, 2de druk 1981), p.228-229.
D.A. Wittop Koning, Nederlandse Vijzels (Weert, 2de druk 1989), p.41.